• nl NL
  • en EN
  • fr FR
  • Inloggen
De Vries & Westermann Bv
De vries & westermann Bv
  • Aardappelen
    • Nieuws
  • Granen
    • Nieuws
  • Oliezaden
    • Nieuws
  • Suiker
    • Nieuws
  • Melk
    • Nieuws
  • Financieel
  • Diensten
    • Educatie
    • WhatsApp service
    • Nieuwsbrief
  • Contact
    • Inschrijfformulier
    • Wie zijn wij
search

Te weinig grip op virusbesmettingen in pootaardappelen

  1. Homepage
  2. >
  3. Aardappelen
  4. >
  5. Aardappelen actueel nieuws
  6. >
  7. Te weinig grip op virusbesmettingen in pootaardappelen

Te weinig grip op virusbesmettingen in pootaardappelen

  • 29 april 2021
  • Aardappelen actueel nieuws

Virusbesmettingen in pootaardappelen zijn een toenemend probleem. De sector wil meer inzicht krijgen in de oorzaken en mogelijke methoden om besmettingen te voorkomen.

Vanaf 2017 is er een duidelijke stijging van het aantal percelen pootaardappelen dat als gevolg van Y-virusbesmetting in klasse verlaagd of afgekeurd wordt. In 2020 is er volgens de cijfers van de NAK in de nacontrole 23,6% van de partijen pootgoed in klasse verlaagd. In 2019 was dat 29,3% en in 2018 20,6%.

Dit zijn hoge getallen die de sector veel geld kosten. Technisch coördinator van de NAK, Jeroen Winkelhorst, verklaart het hoge besmettingsniveau door een samenloop van omstandigheden en een cumulerend effect. Als gevolg van de zachte winters overleefden luizenkolonies en kwamen luizenvluchten al vroeg op gang. Gegevens van de NAK laten zien dat in 2020 de luizenvluchten half mei al op gang kwamen, terwijl die vóór 2017 pas in juni begonnen.

Vroege vluchten

Tegen die vroege vluchten met besmettelijke luizen is volgens Winkelhorst niet op te selecteren. Als de aardappelen net boven komen, zijn virussymptomen nauwelijks zichtbaar, terwijl luizen al wel virus op kunnen pikken van besmette planten en deze overbrengen. Daarbij komt dat de uitgangssituatie niet gunstig is. Het hoge aantal verlagingen in de nacontrole wijst er op dat er mogelijk in het uitgangsmateriaal al een lage concentratie virus voorkomt. Die situatie is door de droge en warme zomers van 2018 en 2019 in gang gezet. Door de droge en heldere weersomstandigheden was het voor pootgoedtelers en keurmeesters in die jaren moeilijk om de virussymptomen te herkennen waardoor de virusdruk verder is opgelopen.

Natuurvriendelijke aanpak bladluizen

Een andere aanpak om de virusdruk te verlagen zijn de zogenoemde agro-ecologische methoden. Hier wordt vooral in het buitenland onderzoek naar gedaan.

Wageningen UR deed in opdracht van LNV een literatuuronderzoek naar de beschikbare mogelijkheden om bladluizen in het algemeen preventief te beheersen. Daarbij kan gedacht worden aan bankierplanten, vanggewassen, bodembedekking of ondergroei van een ander gewas.

In Noord-Amerika wordt het inzaaien van vanggewassen getest. Deze worden in brede stroken rond het pootgoedperceel ingezaaid en zijn niet gevoelig voor Y-virus. Deze stroken kunnen dienen als ‘virusfilter’ voor de niet-persistente virussen. Besmette bladluizen laten bij het aanprikken het virus achter in het vanggewas. Het gaat daarbij om sorghum, tarwe, soja of gras. Deze onderzoeken zijn nog in de oriënterende fase en de resultaten zijn wisselend. De onderzoekers betwijfelen de praktische haalbaarheid onder Nederlandse omstandigheden omdat er productiegrond voor opgeofferd moet worden.

Vanggewassen tussen aardappelen

Een alternatief is het telen van vanggewassen tussen de aardappelen. Deze vangen een deel van de luizen en het virus op. In Belgisch onderzoek zijn proeven gedaan met de zaai van haver en wikke op de ruggen bij het poten. De haver is in het derde blad stadium vernietigd. Deze methode leek 33% minder virus te geven, maar ook 10% opbrengstderving. In een ander onderzoek met gerst zijn geen verschillen in opbrengst en in virusaantasting gevonden.

Een andere methode die in Zwitserland, Duitsland en Finland onderzocht is, is het bedekken van de aardappelruggen met 2,5 tot 5 ton stro per hectare. De lichte kleur van het stro zou een afstotende of verwarrende werking hebben en is vooral effectief aan het begin van het seizoen wanneer de planten net boven de grond komen. Het effect van stro op de virusaantasting was behoorlijk, maar wel minder dan van minerale olie. De combinatie van minerale olie én stro bleek elkaar te versterken. Bij de onderzoekers zijn er wel twijfels over de praktische haalbaarheid.

FAB-randen (Functionele AgroBiodiversiteit) om natuurlijke vijanden te stimuleren zijn voor de pootaardappelteelt nog niet in beeld omdat er absoluut geen planten in mogen staan die als waardplant voor het virus kunnen dienen. Wanneer duidelijk is welke planten geen waard zijn zou een FAB-rand een rol kunnen spelen bij het beheersen van de vectordruk.

In combinatie met vroege luisvluchten resulteerde dat in de veldkeuring van 2020 in relatief veel klasseverlagingen als gevolg van primaire besmettingen. De verlagingen in de veldkeuring maken dat de resultaten van de nacontrole in 2020 iets minder slecht zijn dan die over teeltjaar 2019.

Winkelhorst is niet al te somber over het verder oplopen van de Y-virusbesmettingen. “We hebben in het verleden ook al jaren gehad met hoge virusbesmettingen, en dat is ook weer afgevlakt. Als we een seizoen krijgen met wat donkerder en koeler weer, zodat telers goed kunnen selecteren, zul je zien dat de keuringsresultaten weer verbeteren. Ook een strengere winter met minder vroege luisvluchten en minder aardappelopslag helpt besmettingen te beperken.”

Breed onderzoek

De zorgen zijn echter niet weg. Klimaatverandering en druk op het middelengebruik baren de sector wel zorgen. Om meer zicht te krijgen op de verspreiding van het virus en om handvatten te ontwikkelen om besmettingen te voorkomen is het initiatief tot een Publiek-private samenwerking (PPS) Virus- en vectorbeheersing in de pootaardappelteelt genomen. Dit project loopt van 2019 tot in 2023. De inzet van het project is om betere monitoringstechnieken op bladluizen te ontwikkelen, te weten waar het virus vandaan komt en te onderzoeken wat de belangrijkste infectieperiode is.

PPS projectleider Martin Verbeek beoogt in het vierjarige project te komen tot een systeemaanpak van virus en vector die telers een handvat biedt om goed pootgoed te kunnen telen. Het project is nu halverwege, maar er worden nog geen bevindingen of voorlopige resultaten naar buiten gebracht.

Pepermuntolie in plaats van pyrethroïde

Het groene middel Plant Care is in pootaardappelen een goed alternatief voor pyrethroïden om overdracht van het Y-virus door bladluizen te voorkomen.

Dat blijkt uit meerjarig onderzoek door kennisorganisatie CropSolutions. Plant Care is een pepermuntolie met een repellent, ofwel afwerende werking tegen bladluizen. Volgens technisch adviseur Lennart Testers van CZAV is de werking net zo goed en soms beter dan van een pyrethroïde.

Het voordeel van Plant Care is dat het natuurlijke vijanden spaart en dat het niet gevoelig is voor afbraak bij hogere temperaturen en zonlicht. Het blijft dus langer effectief. Het middel heeft geen dodende werking, pyrethroïden hebben echter ook geen 100% dodende werking. Doordat de luis echt geraakt moet worden en luizen ook onder het blad zitten, kan de dodende werking soms fors lager uitvallen. Bovendien lijkt het erop dat luizen minder gevoelig worden voor deze middelen.

Crop Solutions onderzocht ook of Plant Care minerale olie kan vervangen. Dat resulteerde in hogere Y-virusbesmettingen. Ook halveren van de hoeveelheid minerale olie zorgt voor een hogere virusoverdracht.

Het advies van CZAV is dan ook om 1 liter minerale olie per dag te spuiten, met in de snelle loofgroei fase een interval van vier tot vijf dagen. Het CZAV advies is om bij iedere bespuiting 1 liter Plant Care per hectare toe te voegen, de kostprijsverhoging in vergelijking met pyrethroïden is hierbij minimaal. Het schema wordt vervolgens aangevuld met ‘systemische luizendoders’.

Er zijn meerdere factoren die een rol spelen in de toenemende virusdruk. In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar wat het effect is van de verschuiving van de PVY-virusstammen of isolaten. De huidige adviezen en uitgangspunten zijn vooral gebaseerd op de Yo- en Yn-stammen, terwijl er een verschuiving naar Yntn- en Yn-Wilgastammen heeft plaatsgevonden.

De laatste keer dat de NAK onderzoek deed naar de verspreiding van de Y-stammen was in 2016 en toen bleek dat de verhouding tussen de stammen vrij stabiel was. Er zijn volgens de NAK geen aanwijzingen dat dat nu anders is.

Herkenbaarheid nieuwere stammen

Van de nieuwere stammen zijn de veldsymptomen mogelijk moeilijker te herkennen, zodat geïnfecteerde planten met de selectie en veldkeuring niet opgemerkt worden. Pas bij de nacontrole blijkt dan dat er toch virus in de partij zit. Ook kan het zijn dat de nieuwere stammen sneller de knollen infecteren. Bij de vroegere verplichte loofdodingsdata is ervan uitgegaan dat het virus na infectie na tien dagen in de knol zit en vervolgens na tien dagen symptomen geeft in het loof. Maar bij zeer vroege besmettingen zijn einddata geen oplossing meer.

Tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat het grootste deel van de virusinfecties afkomstig is uit het aardappelveld zelf of uit buurpercelen met consumptieaardappelen of met aardappelopslag en dat verspreiding van virus vrijwel alleen binnen het aardappelveld plaatsvindt. Binnen de PPS wordt ook onderzocht of wilde planten een bron kunnen zijn voor het Y-virus. Daarbij wordt niet alleen onderzocht of ze drager zijn, maar ook of de luis ze uit deze plant oppikt. Ook groenbemesters worden in dit onderzoek meegenomen.

Een andere factor die Verbeek noemt als verklaring voor de toenemende virusdruk, is een mogelijke resistentie van bladluizen tegen insecticiden waardoor bespuitingen minder effectief zijn. In de PPS is dat onderzoek dit jaar als een nieuwe module opgenomen.

Insectenfuiken

Om beter zicht te krijgen op het aantal en soort luizen dat op de aardappelpercelen rondvliegt, plaatst Wageningen UR insectenfuiken in de buurt van de drie hoge zuigvallen van de NAK. De bedoeling is om een techniek te ontwikkelen waarmee op basis van DNA van de gevangen insecten eenvoudig en snel bepaald kan worden welke insecten er gevangen zijn en hoeveel en of ze virus bij zich dragen.

De resultaten van de fuiken worden ook vergeleken met de resultaten van de hoge zuigvallen en die van de gele vangbakken die de NAK gebruikt. Voor het monitoren van de luizen is de NAK gestopt met het afkloppen van planten omdat daar menselijk handelen invloed kan hebben op het resultaat. Het aantal gele vangbakken is met twee uitgebreid naar 40 zodat er een breed netwerk is voor de luismonitoring. Vanwege de steeds vroegere luisvluchten wordt nu op 1 mei gestart met het aftappen van de bakken.

Bron Boerderij

ADVERTENTIES

Weer